|
|||||
U bent hier |
|||||
![]() |
|||||
Eerste Slag van Ieper
Het Belgische leger leverde samen met Franse mariniers strijd aan de IJzervlakte, die al gauw onder water werd gezet door de Belgen met hulp van sluiswachter Karel Cogghe. Het zeewater stroomde vanaf 21 oktober landinwaarts na het openen van de sluizen in Nieuwpoort. Enkele dagen later besloot de Belgische legerleiding de sluizen opnieuw open te zetten, zodat het gebied tussen de spoorlijn Diksmuide-Nieuwpoort en de IJzer bijna volledig onder water kwam te staan. De oprukkende Duitsers, die op het punt stonden om door te breken, moesten wijken voor het wassende water. Ze trokken zich terug op posities achter de IJzer. Eind oktober was de Slag aan de IJzer gestreden. Het Belgische leger had veel manschappen verloren en was uitgeput, maar nog niet verslagen. Na enkele kleinere schermutselingen kwam het tot grotere gevechten op de heuvelkam ten oosten van Ieper. Daar leverde de British Expeditionary Force (BEF) met steun van de Fransen slag tegen de Duitse overmacht. Het was niet zozeer één grote veldslag, maar aaneenschakelingen van bloedige gevechten die we samen de Eerste Slag bij Ieper noemen. Na 19 oktober hadden de Britse troepen zich samen met Franse eenheden opgesteld in een boog rond Bikschote, Langemark en Sint-Juliaan. De Duitse onervaren en slecht uitgeruste reservisten hadden dagenlange marsen in de benen en werden onmiddellijk in de aanval gestuurd. Ze werden door de ervaren Franse en Britse soldaten neergemaaid. De jonge Duitse soldaten slaagden er niet in om na herhaaldelijke aanvallen Langemark in te nemen. Uiteindelijk groeven ze zich in. Dit werd de eerste slag bij Langemark (21-23 oktober). Bij Bikschote waren de resultaten echter iets beter. Op 30 oktober viel Zandvoorde in Duitse handen. De Household Cavalry, die zich in Zandvoorde verschanst had, werd van de heuvel gedreven. De Britten moesten zich terugtrekken. De volgende dag probeerden de Duitse troepen door te breken tussen Geluveld en Mesen. Samen met Wijtschate vielen deze dorpen in Duitse handen. De verdediging bestond slechts uit resten van enkele bataljons. De Duitse overmacht was te groot. De Fransen beloofden versterkingen. Geluveld werd heel even heroverd door Britse troepen, maar zij moesten dit de volgende dag weer definitief prijsgeven. Deze gevechten werden omschreven als de slag bij Geluveld. De tweede slag bij Langemark vond plaats op 10 en 11 november. Het lukte de Duitsers niet om Langemark in te nemen, maar Bikschote viel deze keer definitief in Duitse handen. Op 11 november vond de slag bij de Nonnebossen plaats. De elititetroepen van de Pruisische Garde maakten zich op om met een beslissende aanval een doorbraak te forceren en zo naar Ieper te kunnen oprukken. Het Poygoonbos en de Nonnebossen werden veroverd, maar daar ontmoetten ze de Britse Guards. De Pruisische garde kon niet doorbreken en moest het onderspit delven. De Britten hadden zich immers ingegraven en konden door hun snelle geweervuur sterke tegenstand bieden. De Eerste Slag bij Ieper liep hier ten einde. Dit eerste zware treffen tussen de legers kostte 250.000 Franse, Duitse en Britse verliezen. De oorlog was nog maar net begonnen… Geen enkel leger slaagde erin om een definitieve doorbraak te forceren aan het westfront. De bewegingsoorlog was tot een stilstand gekomen. De Belgen hadden de IJzervlakte onder water gezet en bouwden daar hun defensieve stellingen boven de grond. De grond was immers te nat om te graven. De Britten, Fransen en Duitsers maakten loopgraven die ze steeds verder uitbouwden. Het stukje grond dat de legers van elkaar scheidde was het niemandsland. De bewegingsoorlog was vastgelopen en werd een stellingenoorlog of loopgravenoorlog. Het idee om terug thuis te zijn voor kerstmis bleek ijdele hoop. De warme hoopvolle zomer had plaatsgemaakt voor een ijskoude, natte en ontnuchterende winter. Honger, koude, ontbering, ziektes en dood waren dagelijkse gasten in de primitieve loopgraven. Niemand was immers op zo’n oorlog voorbereid.
Winter 1914-1915 Voor de Franse soldaten kwamen de meeste ongemakken van hun uniformen met rode broek. Deze waren immers een open schietschijf voor de Duitsers, zeker in het winterse landschap. In Zonnebeke doorzochten ze de achtergelaten woningen naar beter passende, en vooral warmere kledij. Bij Mesen-Ploegsteert droegen heel wat Britten een geitenvel tegen de wel zeer koude winter. Om zich te kunnen verwarmen werden ook overal houten interieurs en zelfs volledige dakgebinten afgebroken. Zo ging heel wat eeuwenoud meubilair in de vlammen op. In de eerste oorlogsmaanden ontbrak het nog overal aan goed uitgebouwde loopgraven. De mannen stonden vaak tot aan de knieën in het water, waardoor hun voeten opzwollen met zogenaamde ‘pieds de tranchée’ of ‘trench feet’ tot gevolg. De medische verzorging was ronduit slecht en het ontbrak aan alles en nog wat. Ook de algemene hygiëne liet sterk te wensen over. Vooral de Franse stellingen lagen er zeer vervuild bij. De Britten namen ze dan ook niet graag over. Met kerstmis 1914 gebeurde er iets unieks. Hier en daar kapten de Duitsers een dennenboom en zetten die op de borstwering van de loopgraven. Het is een gebruik dat wij sindsdien overgenomen hebben. Ze zongen kerstliederen en na enige tijd deden ook de Britten en Fransen mee. Geen enkel schot werd gelost. De volgende dag waagden enkele Britse en Duitse soldaten zich uit de loopgraven in het niemandsland. Ook nu werd er niet geschoten. Integendeel, ze wisselden tabak, chocolade en drank uit en maakten van de gelegenheid gebruik om hun doden te begraven. Tussen Mesen en Ploegsteert waagden enkelen zich aan een partijtje voetbal. De Duitsers wonnen met 2-1 van de Britten. Heel eventjes was er weer vrede aan het front. Bevelhebbers aan beide kanten waren natuurlijk niet opgezet met deze verbroederingen en verboden dit ten strengste. Orders werden uitgevaardigd dat iedereen die contact zocht met de vijand zou worden terechtgesteld. De kerstbestanden hielden op en tegen nieuwjaar werd weer volop geschoten en gedood. Tweede Slag van Ieper
Klik hier om te vergroten. Op 26 februari 1915 werden voor het eerst ondergrondse mijnen gebruikt. Tonnen springstof werden in een tunnel onder de vijandelijke linies geplaatst en dan tot ontsteking gebracht. Het resultaat was een brede en diepe krater. Zo bliezen de Duitsers de Franse stellingen op bij Broodseinde (Zonnebeke). In het voorjaar van 1915 werden er in Geluveld plannen gemaakt voor een grote gasaanval op Hill 60. Eind maart waren hiervoor al de nodige voorbereidingen getroffen, maar er kwam geen geschikte noordoostenwind. Daarom werd de aanval verplaatst naar het front van Langemark tot Steenstrate. De geallieerden lieten een hele reeks waarschuwingen voor de komende gasaanval aan zich voorbijgaan. Zelfs de deserteur August Jäger, die hen de volledige Duitse plannen kwam vertellen, werd niet geloofd. Begin april 1915 werden de Fransen opnieuw afgelost door de Britten. Enkele weken later maakten de Duitsers op 22 april voor het eerst op grote schaal gebruik van chloorgas. Hiermee begon de Tweede Slag bij Ieper. Na een korte beschieting lieten Duitse troepen het gas los uit 3.000 grote ingegraven cilinders. Een geelgroene mistwolk dreef met de wind naar de geallieerde stellingen tussen Steenstrate en de weg Langemark-Poelkapelle. In de geallieerde loopgraven brak een waanzinnige paniek uit. De Franse territorialen en kolonialen (Algerijnen) sloegen op de vlucht. Hierdoor ontstond een opening van zes kilometer in de frontlijn. Langemark werd heel snel door Duitse troepen ingenomen. Ze rukten verder op, maar groeven zich (zoals gepland) in. Ondertussen maakten Canadese troepen gebruik van de ‘pauze’ om de bres in de linie gedeeltelijk te dichten. Na het beperkte succes van de gasaanvallen werd op 30 juli 1915 weer een nieuw wapen door de Duitsers getest: de vlammenwerper. Dit gebeurde met succes op het Hooge in Zillebeke. De vlammenwerper spuit een straal vuur onder hoge druk over een afstand van dertig meter. Ook dit wapen zorgde niet voor een doorbraak, maar was wel een angstaanjagend wapen, dat de gruwel van de oorlog versterkte. In december 1915 nabij Wieltje (Ieper) gebruikten de Britten voor het eerst fosgeengas, een nieuw soort stikgas dat in artilleriegranaten kon worden afgevuurd.
Van het Westelijk Front geen nieuws Om het Franse leger te ondersteunen en de aandacht af te leiden uit Verdun, probeerde het Britse leger door te breken aan de Somme. Het offensief was minutieus gepland. Elke stap was zorgvuldig voorbereid. Het offensief was gebaseerd op de dagenlange beschietingen van de Duitse loopgraven door de Britse artillerie. Die moesten alle stellingen volledig verpulveren. De infanterie zou pas nadien, zonder veel tegenslag, het kapotgeschoten terrein veroveren. De Duitse troepen zaten echter goed beschut in diepe ondergrondse bunkers waar de artillerie niets tegen kon doen. Zodra het sein voor de aanval was gegeven, bemanden de Duitsers hun loopgraven en wachtten ze op de oprukkende Britse soldaten. Het resultaat was bedroevend. Op 1 juli 1916, de eerste dag van het offensief, verloor het Britse leger 60.000 soldaten. Hiervan waren er bijna 20.000 dood, 40.000 anderen waren gewond of vermist. Het offensief duurde van begin juli tot half november 1916. Ook hier waren de verliezen enorm: beide legers verloren samen 1.290.000 soldaten. Reeds in de zomer van 1915 begonnen de Duitsers met de uitbouw van een verdedigingssysteem in de diepte. Na de moordende offensieven bij Verdun en aan de Somme besloot opperbevelhebber Ludendorff in het Westen voortaan alleen nog te verdedigen. Tegen 1917 werkten de Duitsers aan uiteindelijk zes linies, die telkens liepen over de hoogste punten van de midden-Westvlaamse heuvelkam: de Frontlinie, de Albrecht-Stellung, de Wilhelm-Stellung, Flandern I, Flandern II en Flandern III. Daartussen bevonden zich ook nog verschillende Riegels, van waaruit in het geval van een doorbraak in de flank kon aangevallen worden, evenals kleinere tussenstellingen en geïsoleerde verdedigingsposten. In de Flandern-linies werden de dicht bemande loopgraven bijna volledig vervangen door stevige betonbunkers, die zelfs de hevigste artilleriebeschietingen konden doorstaan. Wanneer de Britse artillerie stopte en de infanterie ten aanval trok, kwamen de Duitsers uit die bunkers en stelden hun mitrailleurs zodanig op dat ze elkaar nauwkeurig dekten en elke aanval konden afslaan. Tijdens Passchendaele 1917 concentreerden de Duitsers hun verdediging op de Wilhelm-Stellung en op Flandern-I. Flandern-II zouden de Britten nooit bereiken. Flandern-III was dan nog steeds in uitbouw. In 1917 maakten de Duitsers rond Geluveld plannen voor nog eens 1.540 bijkomende betonconstructies…
De Derde Slag van Ieper: Passchendaele
In de zomer van 1917 waren de Britten vastbesloten om in Vlaanderen een frontdoorbraak af te dwingen. Om de Ieperboog te kunnen doorbreken, moest eerst het front ten zuiden van Ieper rechtgetrokken worden: de Wijtschateboog, beter bekend als Messines Ridge. Tussen 1915 en 1917 hadden de Britten hier tientallen pogingen ondernomen om de hooggelegen Duitse stellingen te doorbreken. Vanaf 1916 werkten ze aan een magnus opus om de hele boog op 24 punten te ondergraven met krachtige dieptemijnen. Maar de Duitsers kregen weet van de zaak en probeerden af te counteren met nog diepere tegenmijnen. Tussen Tunnellers en Mineure ontwikkelde zich een bizar kat- en muisspel van mijnen- en tegenmijnen, een eigen oorlog onder de Salient als het ware. Bij La Petite Douve verloren de Britten één lading aan de Duitsers en ook op andere plaatsen werden de mijnwerken bijna ontdekt. Toch was alles tegen de zomer van 1917 klaar voor ‘Zero Hour’. In de vroege ochtend van 7 juni 1917 werden negentien dieptemijnen simultaan tot ontploffing gebracht. Het werd de grootste kunstmatige explosie tot dusver, die het effect had van een krachtige aardbeving. De ontreddering bij de Duitsers was compleet. De eerste linie werd met grote verliezen verlaten en enkele uren later moesten ze ook hun tweede linie prijsgeven. De Nieuw-Zeelanders grepen Mesen en de beide Ierse divisies namen de puinen van Wijtschate in. Pas op de derde linie, ter hoogte van Oosttaverne, konden de Duitsers zich opnieuw herpakken. Het ondergronds werk van de Tunnellers en een briljant strategisch aanvalsplan van Plumers Tweede Leger zorgden voor een succes zonder voorgaande. Een week later was de hele Wijtschateboog opgerold en kon opperbevelhebber Haig zich concentreren op zijn ‘Flanders Offensive’, beter bekend als de Derde Slag bij Ieper of de Slag van Passendale. Het doel van het offensief was het veroveren van de Duitse duikboothavens van Oostende en Zeebrugge. Daarbij was een groot offensief ook essentieel om de Duitse druk op de Fransen weg te nemen, nu die te maken hadden met grote muiterijen en er zelfs aan dachten om de oorlog te beëindigen. Na herhaaldelijk uitstel trokken de Britten eindelijk op 31 juli 1917 in de gietende regen ten aanval. De zware beschietingen hadden het slagveld in een moeras veranderd en de drie ingezette tankbrigades liepen vast in de modder. Tijdens de Slag bij Pilkem werd drie kilometer terreinwinst geboekt, maar de aanval stokte op de Wilhelm-Stellung. Haig realiseerde zich dat het offensief was vastgelopen en besloot de Eingreifdivisionen met hun eigen tactiek te bekampen. Hij ontwikkelde een succesvolle ‘step-by-step’-tactiek met beperkte doelen. Om het offensief weer op gang te krijgen, werden ook twee nieuwe korpsen ingezet: het I. en II. Australian and New Zealand Army Corps (ANZAC). Hierna begon het pas echt te regenen. Haig had een militaire overwinning nodig en besliste dan ook door te gaan met zijn uitputtingsslag om een Duitse aanval tegen de weerloos geworden Fransen te vermijden. Het doel van de eerste fase van het offensief werd nu het einddoel van de hele campagne: de verovering van de puinen van het dorp op de heuvelkam: Passendale. In enkele dagen veranderden de aanhoudende stortregens het landschap in een immense modderzee, waarin mens, dier en machine verzopen. Oktober 1917 werd een van de natste maanden van de eeuw. Op 26 oktober vochten de Canadezen hun ‘Road to Passchendaele’ in de gietende regen. Vijf dagen later kwamen er nog meer troepen ter beschikking voor de verovering van het dorp, waarvan de naam intussen mythische proporties had aangenomen: Passion-dale, dal van het lijden. Op 6 november konden de Canadezen dan eindelijk het dorp, of wat er nog van over was, innemen. Verder kwamen ze niet meer en het offensief liep op 10 november dood op de top van de heuvelkam. Tijdens de Slag van Passendale wierp het Britse imperium bijna een miljoen man of 57 divisies in de strijd. Daartegenover stonden 88 Duitse divisies, waar de verhoudingen eigenlijk net andersom hadden moeten liggen om een kans te maken op succes. Het lente offensief
Klik hier om te vergroten. Op 8 augustus bracht de Duitse opperbevelhebber Ludendorff bij de keizer het slechte nieuws dat Duitsland de oorlog had verloren … Duitsland betaalde een hoge tol voor het offensief. Aanvankelijk was de aanval weliswaar een succes, maar de doelstellingen, Groot-Brittannië en daarna Frankrijk uit de oorlog meppen, werden niet bereikt. Duitsland verloor niet alleen 240.000 manschappen (tegenover 260.000 bij de geallieerden), maar het had ook zijn laatste troeven uitgespeeld. Duitsland was nu aan het einde van zijn Latijn. Amerikaanse troepen arriveerden aan het front en konden gemakkelijk de geallieerde verliezen aanvullen. Dit Duitse lenteoffensief ging de geschiedenis in als de ‘Kaiserschlacht’. Het Eindoffensief
Klik hier om te vergroten. Het einde
|
|||||
English version | museum | Tyne Cot | educatief | 1917/2007 | nieuws | archives | contact en boekingen| | sitemap | gastenboek | links | Disclaimer & Privacybeleid |
|||||
© Copyright 2000-2006 Memorial Museum Passchendaele 1917 | creatie : making pages
|
|||||