menu  
     

U bent hiergeschiedenis

   
geschiedenis
 
     

Eerste Slag van Ieper

eerste slag van ieper

Klik hier om te vergroten. 

Het Belgische leger leverde samen met Franse mariniers strijd aan de IJzervlakte, die al gauw onder water werd gezet door de Belgen met hulp van sluiswachter Karel Cogghe. Het zeewater stroomde vanaf 21 oktober landinwaarts na het openen van de sluizen in Nieuwpoort. Enkele dagen later besloot de Belgische legerleiding de sluizen opnieuw open te zetten, zodat het gebied tussen de spoorlijn Diksmuide-Nieuwpoort en de IJzer bijna volledig onder water kwam te staan. De oprukkende Duitsers, die op het punt stonden om door te breken, moesten wijken voor het wassende water. Ze trokken zich terug op posities achter de IJzer. Eind oktober was de Slag aan de IJzer gestreden. Het Belgische leger had veel manschappen verloren en was uitgeput, maar nog niet verslagen.

Na enkele kleinere schermutselingen kwam het tot grotere gevechten op de heuvelkam ten oosten van Ieper. Daar leverde de British Expeditionary Force (BEF) met steun van de Fransen slag tegen de Duitse overmacht. Het was niet zozeer één grote veldslag, maar aaneenschakelingen van bloedige gevechten die we samen de Eerste Slag bij Ieper noemen.

Na 19 oktober hadden de Britse troepen zich samen met Franse eenheden opgesteld in een boog rond Bikschote, Langemark en Sint-Juliaan. De Duitse onervaren en slecht uitgeruste reservisten hadden dagenlange marsen in de benen en werden onmiddellijk in de aanval gestuurd. Ze werden door de ervaren Franse en Britse soldaten neergemaaid. De jonge Duitse soldaten slaagden er niet in om na herhaaldelijke aanvallen Langemark in te nemen. Uiteindelijk groeven ze zich in. Dit werd de eerste slag bij Langemark (21-23 oktober). Bij Bikschote waren de resultaten echter iets beter.

Op 30 oktober viel Zandvoorde in Duitse handen. De Household Cavalry, die zich in Zandvoorde verschanst had, werd van de heuvel gedreven. De Britten moesten zich terugtrekken. De volgende dag probeerden de Duitse troepen door te breken tussen Geluveld en Mesen. Samen met Wijtschate vielen deze dorpen in Duitse handen. De verdediging bestond slechts uit resten van enkele bataljons. De Duitse overmacht was te groot. De Fransen beloofden versterkingen. Geluveld werd heel even heroverd door Britse troepen, maar zij moesten dit de volgende dag weer definitief prijsgeven. Deze gevechten werden omschreven als de slag bij Geluveld.

De tweede slag bij Langemark vond plaats op 10 en 11 november. Het lukte de Duitsers niet om Langemark in te nemen, maar Bikschote viel deze keer definitief in Duitse handen.

Op 11 november vond de slag bij de Nonnebossen plaats. De elititetroepen van de Pruisische Garde maakten zich op om met een beslissende aanval een doorbraak te forceren en zo naar Ieper te kunnen oprukken. Het Poygoonbos en de Nonnebossen werden veroverd, maar daar ontmoetten ze de Britse Guards. De Pruisische garde kon niet doorbreken en moest het onderspit delven. De Britten hadden zich immers ingegraven en konden door hun snelle geweervuur sterke tegenstand bieden. De Eerste Slag bij Ieper liep hier ten einde. Dit eerste zware treffen tussen de legers kostte 250.000 Franse, Duitse en Britse verliezen. De oorlog was nog maar net begonnen…

Geen enkel leger slaagde erin om een definitieve doorbraak te forceren aan het westfront. De bewegingsoorlog was tot een stilstand gekomen. De Belgen hadden de IJzervlakte onder water gezet en bouwden daar hun defensieve stellingen boven de grond. De grond was immers te nat om te graven. De Britten, Fransen en Duitsers maakten loopgraven die ze steeds verder uitbouwden. Het stukje grond dat de legers van elkaar scheidde was het niemandsland. De bewegingsoorlog was vastgelopen en werd een stellingenoorlog of loopgravenoorlog. Het idee om terug thuis te zijn voor kerstmis bleek ijdele hoop. De warme hoopvolle zomer had plaatsgemaakt voor een ijskoude, natte en ontnuchterende winter. Honger, koude, ontbering, ziektes en dood waren dagelijkse gasten in de primitieve loopgraven. Niemand was immers op zo’n oorlog voorbereid.

 

Winter 1914-1915
In november 1914 werden de Britten bijna overal in de Ieperboog afgelost door Fransen. Ze bleven wel instaan voor de verdediging van het zuidelijker gelegen front rond Mesen en Wijtschate. De eerste oorlogswinter was een gruwelijke winter omdat niemand voorbereid was op een stellingenoorlog.

Voor de Franse soldaten kwamen de meeste ongemakken van hun uniformen met rode broek. Deze waren immers een open schietschijf voor de Duitsers, zeker in het winterse landschap. In Zonnebeke doorzochten ze de achtergelaten woningen naar beter passende, en vooral warmere kledij. Bij Mesen-Ploegsteert droegen heel wat Britten een geitenvel tegen de wel zeer koude winter. Om zich te kunnen verwarmen werden ook overal houten interieurs en zelfs volledige dakgebinten afgebroken. Zo ging heel wat eeuwenoud meubilair in de vlammen op.

In de eerste oorlogsmaanden ontbrak het nog overal aan goed uitgebouwde loopgraven. De mannen stonden vaak tot aan de knieën in het water, waardoor hun voeten opzwollen met zogenaamde ‘pieds de tranchée’ of ‘trench feet’ tot gevolg. De medische verzorging was ronduit slecht en het ontbrak aan alles en nog wat. Ook de algemene hygiëne liet sterk te wensen over. Vooral de Franse stellingen lagen er zeer vervuild bij. De Britten namen ze dan ook niet graag over.

Met kerstmis 1914 gebeurde er iets unieks. Hier en daar kapten de Duitsers een dennenboom en zetten die op de borstwering van de loopgraven. Het is een gebruik dat wij sindsdien overgenomen hebben. Ze zongen kerstliederen en na enige tijd deden ook de Britten en Fransen mee. Geen enkel schot werd gelost. De volgende dag waagden enkele Britse en Duitse soldaten zich uit de loopgraven in het niemandsland. Ook nu werd er niet geschoten. Integendeel, ze wisselden tabak, chocolade en drank uit en maakten van de gelegenheid gebruik om hun doden te begraven. Tussen Mesen en Ploegsteert waagden enkelen zich aan een partijtje voetbal. De Duitsers wonnen met 2-1 van de Britten. Heel eventjes was er weer vrede aan het front. Bevelhebbers aan beide kanten waren natuurlijk niet opgezet met deze verbroederingen en verboden dit ten strengste. Orders werden uitgevaardigd dat iedereen die contact zocht met de vijand zou worden terechtgesteld. De kerstbestanden hielden op en tegen nieuwjaar werd weer volop geschoten en gedood.

Tweede Slag van Ieper

kaart tweede slag van ieper

Klik hier om te vergroten.

Vanaf begin 1915 begonnen de legerleidingen koortsachtig te zoeken naar manieren om het vastgelopen front te doorbreken. Ze dachten daarbij steeds dat de oplossing van het probleem van technische aard was. Dit wil zeggen dat de meenden nieuwe wapens nodig te hebben.

Op 26 februari 1915 werden voor het eerst ondergrondse mijnen gebruikt. Tonnen springstof werden in een tunnel onder de vijandelijke linies geplaatst en dan tot ontsteking gebracht. Het resultaat was een brede en diepe krater. Zo bliezen de Duitsers de Franse stellingen op bij Broodseinde (Zonnebeke).

In het voorjaar van 1915 werden er in Geluveld plannen gemaakt voor een grote gasaanval op Hill 60. Eind maart waren hiervoor al de nodige voorbereidingen getroffen, maar er kwam geen geschikte noordoostenwind. Daarom werd de aanval verplaatst naar het front van Langemark tot Steenstrate. De geallieerden lieten een hele reeks waarschuwingen voor de komende gasaanval aan zich voorbijgaan. Zelfs de deserteur August Jäger, die hen de volledige Duitse plannen kwam vertellen, werd niet geloofd. Begin april 1915 werden de Fransen opnieuw afgelost door de Britten. Enkele weken later maakten de Duitsers op 22 april voor het eerst op grote schaal gebruik van chloorgas. Hiermee begon de Tweede Slag bij Ieper. Na een korte beschieting lieten Duitse troepen het gas los uit 3.000 grote ingegraven cilinders. Een geelgroene mistwolk dreef met de wind naar de geallieerde stellingen tussen Steenstrate en de weg Langemark-Poelkapelle. In de geallieerde loopgraven brak een waanzinnige paniek uit. De Franse territorialen en kolonialen (Algerijnen) sloegen op de vlucht. Hierdoor ontstond een opening van zes kilometer in de frontlijn. Langemark werd heel snel door Duitse troepen ingenomen. Ze rukten verder op, maar groeven zich (zoals gepland) in. Ondertussen maakten Canadese troepen gebruik van de ‘pauze’ om de bres in de linie gedeeltelijk te dichten.
De volgende dag werden de eerste onsuccesvolle tegenaanvallen opgezet. Op 24 april losten de Duitsers opnieuw gas bij Sint-Juliaan. Deze keer waren de Canadezen het slachtoffer. Ook zij moesten wijken voor de oprukkende Duitsers. In de volgende dagen vonden nog enkele tegenaanvallen plaats, meestal zonder succes. De Duitsers veroverden Sint-Juliaan. De geallieerden trokken zich terug in een kleinere boog rond Ieper.
Tot 24 mei werd verder gevochten aan de Frezenberg en ter hoogte van de Bellewaerde Ridge. De Duitsers forceerden echter nergens een doorbraak met hun nieuwe wapen. Ze hadden te weinig reservetroepen voorzien om de bres in de frontlinie uit te buiten.

Na het beperkte succes van de gasaanvallen werd op 30 juli 1915 weer een nieuw wapen door de Duitsers getest: de vlammenwerper. Dit gebeurde met succes op het Hooge in Zillebeke. De vlammenwerper spuit een straal vuur onder hoge druk over een afstand van dertig meter. Ook dit wapen zorgde niet voor een doorbraak, maar was wel een angstaanjagend wapen, dat de gruwel van de oorlog versterkte.

In december 1915 nabij Wieltje (Ieper) gebruikten de Britten voor het eerst fosgeengas, een nieuw soort stikgas dat in artilleriegranaten kon worden afgevuurd.

 

Van het Westelijk Front geen nieuws
In 1916 werd er aan het front rond Ieper weinig spectaculairs genoteerd. De grote offensieven speelden zich af aan andere fronten en hier in de streek waren er slechts enkele afleidingsmanoeuvres. De aandacht van de Fransen ging vooral naar het behoud van het symbolische stadje Verdun. De Duitse legerleiding had immers zijn zinnen gezet om het Franse leger daar te laten doodbloeden. De slag woedde in alle hevigheid tussen februari en december 1916. De Fransen weken echter niet uit Verdun, maar de menselijke tol was verschrikkelijk. Duitsers en Fransen verloren samen bijna één miljoen soldaten: dood, gewond of vermist.

Om het Franse leger te ondersteunen en de aandacht af te leiden uit Verdun, probeerde het Britse leger door te breken aan de Somme. Het offensief was minutieus gepland. Elke stap was zorgvuldig voorbereid. Het offensief was gebaseerd op de dagenlange beschietingen van de Duitse loopgraven door de Britse artillerie. Die moesten alle stellingen volledig verpulveren. De infanterie zou pas nadien, zonder veel tegenslag, het kapotgeschoten terrein veroveren. De Duitse troepen zaten echter goed beschut in diepe ondergrondse bunkers waar de artillerie niets tegen kon doen. Zodra het sein voor de aanval was gegeven, bemanden de Duitsers hun loopgraven en wachtten ze op de oprukkende Britse soldaten. Het resultaat was bedroevend. Op 1 juli 1916, de eerste dag van het offensief, verloor het Britse leger 60.000 soldaten. Hiervan waren er bijna 20.000 dood, 40.000 anderen waren gewond of vermist. Het offensief duurde van begin juli tot half november 1916. Ook hier waren de verliezen enorm: beide legers verloren samen 1.290.000 soldaten.

Reeds in de zomer van 1915 begonnen de Duitsers met de uitbouw van een verdedigingssysteem in de diepte. Na de moordende offensieven bij Verdun en aan de Somme besloot opperbevelhebber Ludendorff in het Westen voortaan alleen nog te verdedigen. Tegen 1917 werkten de Duitsers aan uiteindelijk zes linies, die telkens liepen over de hoogste punten van de midden-Westvlaamse heuvelkam: de Frontlinie, de Albrecht-Stellung, de Wilhelm-Stellung, Flandern I, Flandern II en Flandern III. Daartussen bevonden zich ook nog verschillende Riegels, van waaruit in het geval van een doorbraak in de flank kon aangevallen worden, evenals kleinere tussenstellingen en geïsoleerde verdedigingsposten. In de Flandern-linies werden de dicht bemande loopgraven bijna volledig vervangen door stevige betonbunkers, die zelfs de hevigste artilleriebeschietingen konden doorstaan. Wanneer de Britse artillerie stopte en de infanterie ten aanval trok, kwamen de Duitsers uit die bunkers en stelden hun mitrailleurs zodanig op dat ze elkaar nauwkeurig dekten en elke aanval konden afslaan. Tijdens Passchendaele 1917 concentreerden de Duitsers hun verdediging op de Wilhelm-Stellung en op Flandern-I. Flandern-II zouden de Britten nooit bereiken. Flandern-III was dan nog steeds in uitbouw. In 1917 maakten de Duitsers rond Geluveld plannen voor nog eens 1.540 bijkomende betonconstructies…

 

De Derde Slag van Ieper: Passchendaele


kaart van derde slag van Ieper

Klik hier om te vergroten. 

In de zomer van 1917 waren de Britten vastbesloten om in Vlaanderen een frontdoorbraak af te dwingen. Om de Ieperboog te kunnen doorbreken, moest eerst het front ten zuiden van Ieper rechtgetrokken worden: de Wijtschateboog, beter bekend als Messines Ridge. Tussen 1915 en 1917 hadden de Britten hier tientallen pogingen ondernomen om de hooggelegen Duitse stellingen te doorbreken. Vanaf 1916 werkten ze aan een magnus opus om de hele boog op 24 punten te ondergraven met krachtige dieptemijnen. Maar de Duitsers kregen weet van de zaak en probeerden af te counteren met nog diepere tegenmijnen. Tussen Tunnellers en Mineure ontwikkelde zich een bizar kat- en muisspel van mijnen- en tegenmijnen, een eigen oorlog onder de Salient als het ware. Bij La Petite Douve verloren de Britten één lading aan de Duitsers en ook op andere plaatsen werden de mijnwerken bijna ontdekt. Toch was alles tegen de zomer van 1917 klaar voor ‘Zero Hour’. In de vroege ochtend van 7 juni 1917 werden negentien dieptemijnen simultaan tot ontploffing gebracht. Het werd de grootste kunstmatige explosie tot dusver, die het effect had van een krachtige aardbeving. De ontreddering bij de Duitsers was compleet. De eerste linie werd met grote verliezen verlaten en enkele uren later moesten ze ook hun tweede linie prijsgeven. De Nieuw-Zeelanders grepen Mesen en de beide Ierse divisies namen de puinen van Wijtschate in. Pas op de derde linie, ter hoogte van Oosttaverne, konden de Duitsers zich opnieuw herpakken. Het ondergronds werk van de Tunnellers en een briljant strategisch aanvalsplan van Plumers Tweede Leger zorgden voor een succes zonder voorgaande. Een week later was de hele Wijtschateboog opgerold en kon opperbevelhebber Haig zich concentreren op zijn ‘Flanders Offensive’, beter bekend als de Derde Slag bij Ieper of de Slag van Passendale.

Het doel van het offensief was het veroveren van de Duitse duikboothavens van Oostende en Zeebrugge. Daarbij was een groot offensief ook essentieel om de Duitse druk op de Fransen weg te nemen, nu die te maken hadden met grote muiterijen en er zelfs aan dachten om de oorlog te beëindigen.
De Britse opperbevelhebber Douglais Haig had de leiding van het offensief. Hij geloofde in een groot offensief op een breed front. Na een allervernietigende artillerieslag moest een massale aanval van de infanterie in één klap oprukken tot de Wilhelm-Stellung en misschien zelfs tot voor de Flandern I.
De Duitsers bereidden zich echter goed voor en stelden hun beste defensiespecialist aan om de verdediging te organiseren. In enkele weken tijd werd het hele Duitse verdedigingssysteem op punt gesteld. Sleutelbegrippen in de Duitse defensie waren een verdediging in de diepte met bunkers en mitrailleurs en de organisatie met eerstelijnstroepen en reserves om onmiddellijk in de tegenaanval te kunnen gaan. Daarachter stonden dan nog eens speciale Eingreifdivisionen klaar om het verloren terrein terug te winnen in het geval van een doorbraak. Ze concentreerden hun verdediging tussen de Wilhelm- en Flandern-I-Stellung met slechts een lichte bezetting van de eerste twee linies.
Tijdens de voorbereidende artilleriebeschietingen van de Derde Slag bij Ieper schoten de Britten 4.200.000 projectielen naar de Duitse stellingen, wat maar liefst twee en een halve keer zo veel was als het jaar daarvoor aan de Somme.

Na herhaaldelijk uitstel trokken de Britten eindelijk op 31 juli 1917 in de gietende regen ten aanval. De zware beschietingen hadden het slagveld in een moeras veranderd en de drie ingezette tankbrigades liepen vast in de modder. Tijdens de Slag bij Pilkem werd drie kilometer terreinwinst geboekt, maar de aanval stokte op de Wilhelm-Stellung.
Op 10 augustus lanceerden de Britten een grote mislukte aanval tegen de hoogten rond Geluveld, van waar de Duitsers hun hele rechterflank onder vuur konden nemen.
Midden augustus speelden de voornaamste wapenfeiten zich af bij Langemark. Na enkele warme dagen kwam er een droge korst op de modder, zodat er opnieuw tanks ingezet werden. Deze strandden echter opnieuw, waardoor de geplande frontdoorbraak steeds verder weg leek.

Haig realiseerde zich dat het offensief was vastgelopen en besloot de Eingreifdivisionen met hun eigen tactiek te bekampen. Hij ontwikkelde een succesvolle ‘step-by-step’-tactiek met beperkte doelen. Om het offensief weer op gang te krijgen, werden ook twee nieuwe korpsen ingezet: het I. en II. Australian and New Zealand Army Corps (ANZAC).
De nieuwe troepen en de aangepaste tactiek misten hun uitwerking niet. Op 20 september werd er met succes gestreden rond de Meenseweg en op 26 september bij het Polygoonbos, dat veroverd werd door de 5de Australische Divisie. Om elke hoogte, voor elke bunker moest er evenwel bloedig gestreden worden. Het innemen van de bunkers en hun moordende mitrailleurs vergden vaak de hoogste daad van moed en zelfopoffering. Hiervoor werden dan ook verschillende Victoria Crosses en andere hoge onderscheidingen toegekend, vaak postuum.
Ook de Duitse Eingreifdivisionen leden nu zware verliezen en daarom plaatsten de Duitsers op 4 oktober al hun troepen opnieuw in de voorste linie, wat uitdraaide op een bloedige catastrofe. Deze Slag bij Broodseinde werd Duitslands zwarte dag. Voor het Britse leger was dit de beste dag in het sluimerend Flanders’ Offensive. De Nieuw-Zeelanders veroverden ’s Graventafel en de 3de Australische Divisie doorbrak de Flandern-I-stellung bij het latere Tyne Cot Cemetery.

Hierna begon het pas echt te regenen. Haig had een militaire overwinning nodig en besliste dan ook door te gaan met zijn uitputtingsslag om een Duitse aanval tegen de weerloos geworden Fransen te vermijden. Het doel van de eerste fase van het offensief werd nu het einddoel van de hele campagne: de verovering van de puinen van het dorp op de heuvelkam: Passendale. In enkele dagen veranderden de aanhoudende stortregens het landschap in een immense modderzee, waarin mens, dier en machine verzopen. Oktober 1917 werd een van de natste maanden van de eeuw.
Voor de aanval van 9 oktober bij Poelkapelle hadden de aanvalstroepen elf uur nodig om vanuit Ieper over smalle loopplanken naar hun vertrekposities te gaan. Veel erger was dat het bijna onmogelijk werd om nog artillerie naar voor te brengen om de Duitse stellingen voor de aanval te beschieten. Bij het eerste schot zakten de kanonnen in de modder. Het ontbreken van artilleriesteun voor de infanterie had een bloedige afloop tot gevolg.
Ook de volgende dagen werden geteisterd door storm en regen, die nu de beste bondgenoten waren van de Duitsers. Een grote geallieerde aanval op Passendale op 12 oktober smoorden zij met mitrailleurvuur vanuit hun bunkers in de kiem. De volgende dag gaf Haig het bevel om de aanval te stoppen en liet hij de uitgebloede Anzacs voor een groot deel vervangen door Canadezen.

Op 26 oktober vochten de Canadezen hun ‘Road to Passchendaele’ in de gietende regen. Vijf dagen later kwamen er nog meer troepen ter beschikking voor de verovering van het dorp, waarvan de naam intussen mythische proporties had aangenomen: Passion-dale, dal van het lijden. Op 6 november konden de Canadezen dan eindelijk het dorp, of wat er nog van over was, innemen. Verder kwamen ze niet meer en het offensief liep op 10 november dood op de top van de heuvelkam.

Tijdens de Slag van Passendale wierp het Britse imperium bijna een miljoen man of 57 divisies in de strijd. Daartegenover stonden 88 Duitse divisies, waar de verhoudingen eigenlijk net andersom hadden moeten liggen om een kans te maken op succes.
Het resultaat van Haig’s Flanders Offensive was bedroevend. Na 100 dagen was slechts een terreinwinst geboekt van acht kilometer en dan nog een levensgevaarlijke salient rond Passendale, waarin de Britten de hele winter 17-18 van drie kanten beschoten werden.
De Duitsers waren duidelijk de grote overwinnaars, hun verdediging was solide gebleken. Of toch niet? Want ook zij verloren tienduizenden manschappen en wat erger was, ook immense hoeveelheden materiaal. In tegenstelling tot de Britten die zich lieten bevoorraden door de Verenigde Staten, konden de Duitsers dit verlies nooit meer goedmaken. Voor de Duitsers was de Flandern-Schlacht dan ook in wezen een ‘Materialschlacht’. Zeebrugge heeft Haig nooit bereikt, maar zijn uitputtingsslag ontnam de Duitsers alvast hun reserves om aan te vallen tegen de weerloos geworden Fransen.

Het lente offensief

kaart vierde slag om ieper

Klik hier om te vergroten.

In maart 1918 sloot Duitsland vrede met Rusland. Het verdrag van Brest-Litovsk zou bepalend zijn voor het verdere verloop van de oorlog. De oorlog in het oosten was immers gedaan en Duitsland hoefde zich nu niet meer te focussen op twee fronten. Het westfront kreeg nu alle aandacht. De Duitse troepen die zich in het oosten bevonden werden naar het westen overgeplaatst. Het Duitse leger was nu veruit het sterkste. Duitsland had in het voorjaar van 1918 alle troeven in handen. Er waren nog niet veel Amerikaanse troepen aan het westelijk front aangekomen, het had een voldoende groot leger, het had nog net materiaal genoeg en bijna alle voorgaande geallieerde offensieven waren volledig vastgelopen op de Duitse verdediging. De Duitse legerleiding besloot over te gaan tot een groot en beslissend offensief. In 1915 had het gebruik gemaakt van verschillende nieuwe technieken, die echter geen soelaas hadden gebracht. Nu besloot men een nieuwe tactiek te gebruiken. In plaats van een massale frontale infanterieaanval na dagenlange artilleriebeschietingen, ging men over op kleine lokale aanvallen tegen zwakke punten in de linie na een korte maar intense artilleriebeschieting. Speciaal opgerichte stormbataljons zouden de zwakke punten in de verdediging benutten, waarna de reguliere infanterie het veroverde terrein bezette. Deze speerpunttactiek was nieuw in de oorlog. Op 9 april startten de Duitsers hun offensief in de streek. Dankzij deze nieuwe tactiek braken de Duitsers overal door. Ieper werd bijna omsingeld en de nog nooit eerder veroverde Kemmelberg werd ingenomen door Duitse elitetroepen. Ook de flanken van de Scherpberg werden veroverd. De Britten deden in 1917 honderd dagen om Passendale te bereiken. De Duitsers deden de omgekeerde beweging in nauwelijks twee dagen.
Ook in het noorden van Frankrijk lanceerden de Duitsers hun offensief en ook daar braken ze gemakkelijk door. Ze slaagden erin om kilometers ver op te rukken. De Britse eenheden noteerden grote verliezen. Alle offensieven liepen echter dood… De Duitse legers hadden grote gebreken aan materiaal. De Slag van Passendale in 1917 was voor de Duitsers dan ook een grote materiaalslag geweest. Ook de Britten hadden tekort aan materiaal, maar hun gebreken werden opgevangen door de komst van de Amerikaanse troepen die alle tekorten, ook aan manschappen, gemakkelijk konden opvangen. De Duitse soldaten waren ook uitgeput en uitgehongerd. De stormbataljons waren heel mobiele eenheden, samengesteld uit de beste officieren en soldaten. De zwaarste verliezen werden ook door deze bataljons geïncasseerd. Een belangrijk verlies aan Duitse elitesoldaten was hiervan het gevolg.

Op 8 augustus bracht de Duitse opperbevelhebber Ludendorff bij de keizer het slechte nieuws dat Duitsland de oorlog had verloren … Duitsland betaalde een hoge tol voor het offensief. Aanvankelijk was de aanval weliswaar een succes, maar de doelstellingen, Groot-Brittannië en daarna Frankrijk uit de oorlog meppen, werden niet bereikt. Duitsland verloor niet alleen 240.000 manschappen (tegenover 260.000 bij de geallieerden), maar het had ook zijn laatste troeven uitgespeeld. Duitsland was nu aan het einde van zijn Latijn. Amerikaanse troepen arriveerden aan het front en konden gemakkelijk de geallieerde verliezen aanvullen. Dit Duitse lenteoffensief ging de geschiedenis in als de ‘Kaiserschlacht’.
Het Duitse leger was na het lenteoffensief enorm verzwakt. Het had weinig of geen reserves meer en ook hun industrie kon bij gebrek aan grondstoffen niet meer aan de vraag voldoen. De geallieerden beseften dit maar al te goed en besloten zelf over te gaan tot een groot offensief.

Het Eindoffensief

kaart van de vijfde slag om ieper

Klik hier om te vergroten.

Tijdens de oorlog vroegen de Geallieerden herhaaldelijk aan de Belgische regering om het Belgische leger te laten deelnemen aan hun offensieven. Dit werd echter verhinderd door de persoonlijke tussenkomst van koning Albert. Een slachtpartij zoals Verdun, de Somme of Passendale zou immers het einde van het Belgische leger betekend hebben. In de zomer van 1918 lagen de zaken echter anders en waren de kansen voor een succesvol eindoffensief voor het eerst reëel. De Belgen zouden voor het eerst sinds 1914 hun defensieve stellingen verlaten en mee in de aanval gaan. Daarvoor namen ze het noordelijke deel van de Ieperboog over van de Britse troepen. Het Belgische leger bemande nu het front van de kust tot aan de weg Ieper Zonnebeke.
In de nacht van 28 september 1918 barstte een korte, maar hevige geconcentreerde artilleriebeschieting los. Drie uur later werd deze gevolgd door een grootscheepse infanterieaanval. Dezelfde dag bereikten Belgische Grenadiers en Karabiniers Passendale dat pas de volgende dag zou worden ingenomen. Ook elders boekten de verschillende legers grote vooruitgang. Het Duitse leger moest massaal terugtrekken. Vlak voor Roeselare konden ze nog twee weken stand houden. Wanneer de Belgen Gent bereikten, werd de Wapenstilstand ondertekend.
Na vier jaar vechten, zwegen de wapens eindelijk op 11 november 1918 om 11 uur.
De verliezen van het Belgische leger spreken boekdelen. Een derde van de slachtoffers viel tijdens de bewegingsoorlog van 1914. Een ander derde viel tijdens de oorlogsjaren 1915, 1916, 1917 en begin 1918. Het laatste derde tenslotte, kwam om tijdens het eindoffensief. De grote Belgische begraafplaats in Houthulst is van dit eindoffensief een stille getuige.

Het einde
De politieke en economische gevolgen van de oorlog waren bijzonder zwaar voor Duitsland. Het verdrag van Versailles, dat op 28 juni 1919 ondertekend werd, stelde bijzonder zware eisen aan Duitsland. Ten eerste waren er tal van territoriale wijzigingen. Zo moest Duitsland een zevende van haar grondgebied afstaan. België verkreeg hierdoor Eupen, Sankt-Vith, Malmédy en Moresnet. Duitsland werd ook alle kolonies ontnomen. Ten tweede moest Duitsland bijna volledig ontwapenen. Het mocht geen luchtmacht meer hebben, de vloot werd vernietigd en het landleger teruggebracht op 100.000 soldaten. Tanks, gassen en zware artillerie werden verboden. Ten derde waren er zware economische bepalingen met onrealistische herstelbetalingen. Om toe te zien dat dit effectief gebeurde, bezetten de geallieerden een deel in het Rurhgebied. Ten vierde werd Duitsland moreel vernederd. Het moest onder andere zijn verantwoordelijkheid erkennen voor het uitbreken van de oorlog. Dit verdrag, dat later als het ‘Diktat’ zou worden aangeduid, bevatte heel wat kiemen voor de nieuwe oorlog van 1940, die de wereld naar een nog grotere catastrofe zou voeren...

 

   
 

English version | museum | Tyne Cot | educatief | 1917/2007 | nieuws | archives | contact en boekingen| | sitemap | gastenboek | links | Disclaimer & Privacybeleid

 
 

© Copyright 2000-2006 Memorial Museum Passchendaele 1917 | creatie : making pages